bomen

zij zien door het bos
hoe wij van de wereld komen
de hoofden doof van woorden

zij zetten hun wortels naar onze voeten
trappen een pad op gang
krommen erebogen om ons heen

zij houden de bladeren in, kerven
adem in onze handen en meten
hoe amper wij kunnen omarmen

zij stammen van aarde en rechten
onze stramme ruggen. in hun aderen
zingt water onze littekens weg

wij bergen mist in onze monden
groeien uit onze kruinen
verleggen een grens

 

Uit Een kier in het rumoer

vertakte vertellingen

om boom te kunnen worden
moest hij heel diep leren zwijgen

over de kervende hand van de kerel
en de letterlange meisjesnaam, hoe zorgzaam
het mes voor altijd een hart in zijn huid

over het kind dat klom in de kruin naar de zon
die zich als een bal vast had gezet
in de oksel van takken als was het een spel

ook over die nacht dat een man door het bos
niet langer de bomen, een tak zocht, een touw,
met een knoop in zijn hoofd zijn vrouw achterna

zijn stam draagt de stem van duizend verhalen
aan iedere tak trekt een leven zich op

hij zwijgt zich naar boven. geen blad
legt de nerven te lezen

 

Uit Een kier in het rumoer

 

ten toon

je ziet er goed uit, zegt ze na mijn eerste chemo,
en dat ik ben vermagerd. omdát ik ben vermagerd,
lees ik tussen de regels van haar goed fatsoen.

ze houdt niet op: wat een geluk dat je je haar nog hebt,
het is een beetje doffer dan anders, maar
het ligt mooi, alsof je net van de kapper komt.

ik knik voorzichtig. dansend op de plukken pluis
zoekt mijn pruik naar evenwicht.

 

Uit Lopen op los zand