een kleine verplaatsing

                    voor Marlien, mama van Tobias en Otto

hoe doe je dat, aan je zoon van acht tonen
waar de borst zat die hij dronk. zeg je, kijk lieverd,
hier trok de dokter een streep. of, dáág borst, fijn

dat je er was, en wuif je haar samen uit?
de zoon van acht kijkt heen en weer van de streep
naar de borst die in de leegte hangt te leven. hij zucht

en richt zijn blik als een man naar de lucht. zegt.
waarom moeten jullie er ook zonodig twee?
eentje netjes in het midden zou zoveel mooier zijn.

Uit Lopen op los zand

uit de hoogte gewaaid

en weer schieten duiven
onder zijn vleugels. dik van
wierook gaat hij door het dak

zijn lied is leeg. alleen
de hoogste huizen praten
elkaar nog een richting aan

hij weet het wel
wie met de wind mee draait
valt niet van de toren

maar laag bij de grond
zou hij net zo goed
iets anders kunnen zijn

een ei bijvoorbeeld
of een straat die van de kerk
weg loopt

 

Uit Een kei in duren

sleutelmoeder

in het huis van mijn zoon
door zijn wonen wandelen

kijken in de spiegel waar zijn hand
vanmorgen zijn haar nog kamde

mijn handen betrappen
op zoek naar sporen van kind

de ruggen van zijn boeken strelen
op mijn tong de lucht afwegen

bij het raam in zijn zetel zitten
tot de zon zijn schoot zoekt

en in de mijne valt

 

Uit Een kei in duren

bloedbroeders

wij delen alles. een moeder met een wijde schoot.
een dode vader die door de dagen boort. het temmen
van de zee. de stank van vis die bijt onder de huid.

wij delen het losbranden van de oorlog. het geloof in de grond
onder onze voeten. onze eerste dag en onze laatste adem.
de granaat die ons lot als parels aan elkaar rijgt.

als in een bed liggen wij in ons warme bloed. armen en benen
verenigd onder het laken. de oorlog knikt en gaat voorbij.
wij delen de diepe vrede van de aarde.

in een verte snijden violen uit onze val
een ondansbaar lied. als vissen die naar wolken happen,
zo buitelen wij een ballet over de zeeën.

Ravel schreef ‘Le Tombeau de Couperin’ en droeg zijn ‘Rigaudon’ op
aan de broers Pierre en Pascal Gaudin, die sneuvelden op hun eerste oorlogsdag

 

Uit Toverstroming

laat ons gaan

wij zitten in nesten van armen
rond zijn bed. keer op keer duikt
de bloeddrukmeter de diepte in

meten onze ogen de trage tred
waarmee wij wezen worden
vader probeert al dagen te sterven

hij ligt zo ver weg aanwezig te zijn
dat de hemel hem steeds weer
door de aders glipt

wij durven hem niet te verraden
denken luidkeels tegen de muren: hier
hier verbergt hij al dagen zijn adem

de kamer een doos om te sterven
en wij daarbuiten vluchten in kinderen
in kartonnen koffiebekers

en muren die steunen: toe vader, nu

 

Uit Een kei in duren