hoera! zeven nieuwe eilanden ontdekt om de hoek van het heelal
in een oceaan van sterrenstof en as. langs weerzienwekkende banen
varen ze om Trappist, hun god van licht. ze zijn waarachtig aardachtig
en daar zullen we op drinken, want er is water, er zijn rotsen om op te zaaien.
zeven zusters drijven pleiadengewijs als zandbanken in een zee van leegte,
uit aardse drang naar orde hebben we ze opgelijst van a tot g.
rotsvast geloven we dat Noah een ruimteschip bouwt dat op licht
kracht door de kosmos kan klieven. na zeven maal zeventig lichtjaren
zeilen zullen zijn achter achter achter achter achter achter achter
kleinkinderen de dan al lang geen nieuwe eilanden meer
waarschijnlijk niet bereiken. ondertussen drinken wij hier
ons bier en blijven aardig (voor elkaar).
Uit Veelvoud van een eiland
Trappist-1 is een dwergster in sterrenbeeld Waterman op 40,66 lichtjaren van de Aarde
haar vingers bijna in gebed
om een kom koffie gevouwen
de vrijheid te mogen zwijgen
alleen te zijn in de refter van het klooster
in het afwezige gezelschap
van achtenveertig andere gasten die zwijgen
het sluiten van de ogen moet traag zijn gebeurd
misschien ziet zij nu scherper
waar ze met open ogen van wegloopt
op haar bord wacht een mandarijntje
met het geduld van een mandarijntje
Uit Traagkracht
hij vliegt
in één ruk drieduizend vijfhonderd zestig kilometer
over zee, van zijn geboortegrond in Alaska naar Tasmanië.
dat de kou je op de vlucht jaagt en tot bewegen drijft,
houdt steek. maar hij blijft elf dagen in de lucht,
rust niet, eet niet, slaapt niet.
ik herhaal: slaapt niet. ziet amper bleek.
hij voert zijn stunt uit met non-stop vleugelslag,
verliest geen hoogte, wel zowat de helft
van zijn lichaamsgewicht. beweert de krant. wedden
dat hij flink fraudeert en iets voorbij de Aleoeten
doodleuk neerstrijkt op een zeeschip, zich gratis vol
kreeft vreet, op het dek de vleugels in de nek vouwt
en zich al slapend naar Australië laat varen? waarom?
om de pluim voor het langst wakker blijven ter wereld
in de eigen staart te kunnen steken. want nooit zag ik
een rosse grutto in de wachtzaal van de slaapkliniek.
of hij liegt
voor de faam. of hij verdient een gedicht op naam.
Uit De ogen van de uil
we stollen niet langer met de tijd
breken dijken, boren ons uit de zee
van angst waarin we overboord gingen
we houden elkaar tegen het licht
herschrijven de ruimte tussen ons :
lucht. land. hand. huid. we verpoppen
kruipen uit onze kinderen, verbouwen
ons malende hart tot haven, halen
adem voor elkaar. we dagen de aarde
onder een blauwe maan
die hoge golven in ons wekt en worden
water, getijden van één oceaan
Uit Als de lucht valt
ze dragen de namen van hun moeders
die de namen van hun moeders dragen en zo gaat dat
generaties door, alleen een nummer aan hun oor
geeft recht op enig privé bestaan
ze nemen hun collectief geheugen te grazen
herkauwen herinneringen aan vers gras
en leggen zich neer in een voorschoot van een weiland
in de dunne lende tussen Vaart en Leuvensesteenweg
loeren gigantische bedrijven op het aasgeld
van wie zich blind laat uitmelken
maar zolang één fietser opkijkt, zullen ze blijven
liggen in de tijd, herinneringen herkauwen
aan de moeders van hun moeders en nergens is haast
want gras wordt groen geboren
Uit Als de lucht valt