ten toon

je ziet er goed uit, zegt ze na mijn eerste chemo,
en dat ik ben vermagerd. omdát ik ben vermagerd,
lees ik tussen de regels van haar goed fatsoen.

ze houdt niet op: wat een geluk dat je je haar nog hebt,
het is een beetje doffer dan anders, maar
het ligt mooi, alsof je net van de kapper komt.

ik knik voorzichtig. dansend op de plukken pluis
zoekt mijn pruik naar evenwicht.

 

Uit Lopen op los zand

melkweg

toen zij nog een onzichtbaar
vriendje had, een sterrenkind
dat met zijn ufo was geland
in het bos achter haar oren

droeg zij nog vlechtjes
op aan stoere kereltjes
die meikevers naliepen
in ruil voor zomersproeten

zij fietste langs de hemelvaart
marsman achterop met één arm
om haar middel. zijn adem
onzichtbaar in haar hals

 

Uit Een kei in duren

geboorte van een engel

wanneer wij onze lichamen
langzaam uitgestorven hebben
en na de stilte is de tijd weer daar

laat ons dan geduldig gras zijn,
een zomerberm vol duizendblad
misschien. nog zijn bomen te hoog

gegrepen. laat ons liever laag
bij de grond in wortels wonen;
de eeuwigheid groeit niet

uit haast. om als een boom
te durven duren moet je
diep uit bermen breken

 

Uit Een kier in het rumoer

ooit was ik de eerste

die op kamertemperatuur de kast
beklom. zolang ik rook naar verre
landen streelden de handen

die mij vonden de zomer uit mijn huid.
verhard van heimwee naar zee
en zand gaf ik mijn kleuren op.

ik werd een mak soort kamerplant
die nooit om water vroeg en zwijgzaam
het stof van maanden droeg.

door een ander strand te vondeling
gelegd, bloedde elke zomer
een nieuwe steen dood naast mij.

de handen luisteren al lang niet meer
naar de zeeën die wij zingen.
de kast kreunt onder het gewicht

van ons keihard zwijgen.

 

Uit Een kei in duren

Daisy-luisterboek)

stil wordt een steen geboren

hij vraagt niet veel
de aarde is buik genoeg
om traag te groeien

laag na laag pelt hij de jaren op
legt zijn oor te luisteren
aan de geduldige grond

daar aderen verhalen
van lang en diep geleden
hij legt ze voor het rapen

ooit zal iemand hem splijten
de beginsporen lezen
verloren kijken in het zand

en nergens is haast
een steen is een kei in duren

in de kelder was het stil

daar hoorde ze ons niet groeien
zonder woorden hield de onderbuik
van het huis ons buiten

daar knoopte moeder steek
na steek een jarenlang tapijt
van laat me nu toch even

we waren vaak te veel kabaal
dan kroop ze weg tussen de kolen
en mat de tijd in knopen

ze steekt weer in de kelder, zeiden we
en wij maar zonder grenzen
boven blijven leven

hoor hoeveel zachter wij nu lopen
in het huis waar kamerbreed tapijt
moeders doodgaan dempt

 

Uit Een kei in duren

de straat

mocht niet naar binnen kijken
toen het huis nog geluid en kinderen had
hij plantte een haag voor het raam

jaar na jaar hield de straat
meer blad voor de mond
tot ook het huis er stil van werd

nu zit zij voor het raam van de winter
en kijkt dwars doorheen de haag
ze telt de straat op en af

de mussen kijken al lang niet meer op
van het oudje dat ingekaderd
achter het raam kleeft

meester

ik ken je trage pas
hoe je achter het huis
het weer uit de wolken kijkt
en de dag op gang fluit

altijd in mijn richting
de emmer met de schillen
zingt goedemorgen tegen je dij
je weet dat ik wacht

de vingers om het brood
de hand waar ik uit eet
je mond mompelt
een peukje op en neer

wanneer ik mijn gewichtige billen
tegen je kruis aan schurk
krult de peuk om je lippen
dan ben jij het die knort

straks is het uit tussen ons
mijn rug leest je handen
je klappen zijn zachter geworden
mijn billen gewilliger

in mijn kop hamert al
het uur van de overgave
een lam zal ik zijn, jij zult
mijn trouwe ogen proeven

mijn vlees zal zingen in het jouwe

 

Uit Een kei in duren

overal staken handen

dood uit de mouwen
de zee bezette als een leger
de verbaasde o’s van monden.
ogen sloegen in golven neer

wat bleef groef adem op
sleurde zich bij de haren
uit het water recht en
keek uit over het blauw

van armen en benen.
in alle kleuren dreven slippers
in het zand en waren
voorgoed hun maatje kwijt

een man die door het water
vergeten was zwom in een zee
van schoenen. vroeg zich
de rest van zijn leven af

waarom de zee alleen maar
linkerschoenen had gebraakt
alsof zij in haar dode eentje
de rechter was

op de ochtend na de tsunami van 26 december 2004 vonden daniël en greetje op het strand van  sri lanka opvallend veel linkerschoenen

 

Uit Een kei in duren

het haachts broek fluistert

de trage wandelaar een warm welkom toe
en spreidt wijd zijn waterarmen voor
de dauwnetel die hier kind aan huis.

weiden en bossen leggen een lapjesdeken
van donken en zonken over het landschap,
bruine kikkers kwaken de dag op gang.

reeën schuwen schoolkinderen die
houtwallen bouwen en voor wie luistert
met ogen van wind, wiegt de betonie

haar zeldzaam lied over het grasland.
sleedoorntakken buigen een donker sprookje
over het pad. een bonte specht boort je

langs knuppelpaden een diepgroen
denken in: warme grond onder de voeten
en een bos met vlinders in de buik.

 

Ann Van Dessel
Dorpsdichter Haacht 2011- 2012